Artikel Jeannine Tassyns

Bois Joly te Ronse

Een natuurreservaat met  roots in het verleden

Situering

Tussen de hogere getuigenheuvels van de Hotond en het Muziekbos, ten noorden van Ronse nabij het kerkhof van Hogerlucht, ligt het Bois Joly, een natuurreservaat van 13 ha dat sinds 1993 beheerd wordt door de afdeling Ronse van de vzw Natuurpunt. Van het noordelijk deel van het vroegere domein van Edouard-Joseph Joly, dat werd onteigend door de stad Ronse en in gebruik genomen als kerkhof, worden ook 2 ha door Natuurpunt beheerd.

Ten zuiden het bos werden in 2001 en 2002 nog twee akkers en weiden aangekocht die als bufferzone dienst doen.

Met uitzondering van kleine beheerswerken, zoals het creëren van open plekken en het verbreden van bospaden tot wandelpad, wordt in het bos zelf zo weinig mogelijk ingegrepen. Natuurpunt streeft op lange termijn naar een volledig natuurlijk bos waarin continu oude en zieke bomen sterven en jonge bomen zich vestigen. Een dergelijk “natuurlijk” bos is uiterst zeldzaam in West-Europa. Aangezien in het Bois Joly praktisch alle inheemse bomen en struiken aanwezig zijn, is het niet nodig om in te grijpen; alle zaden zijn immers aanwezig. De soorten die de onderlinge concurrentie het beste aankunnen, zullen zich het sterkst uitbreiden, de andere soorten die door de mens aangeplant werden (zoals bijvoorbeeld de tamme kastanje) of typische pioniersoorten (zoals de berk), zullen na verloop van tijd verminderen of zelfs verdwijnen. Doordat het in de bedoeling ligt het bos en de bufferzone naar een waardevol natuurbos te laten evolueren, is het enkel bij geleide wandelingen of op aanvraag met een gids te bezoeken. Neem hiertoe contact op met één van de conservators (tel 055/20.71.23 of 055/21.83.54).

Hoe het ontstond.

Het 19e eeuwse Bois Joly was eigendom van Edouard-Joseph Joly (1812-1887), advocaat, bankier die als amateur archeoloog archeologisch onderzoek deed in Keltische tumuli in de omgeving van Ronse. Hij verzamelde gedurende meer dan 25 jaar voorwerpen zoals halskettingen, fibulae (gespen), schrijfstiften, scharen en aardewerk van de Steentijd tot de Merovingische periode (ca. 430-751). Op dit ogenblik wordt het grootste deel van zijn verzameling bewaard in het Musées du Centenaire te Bergen en in het Metropolitan Museum te New York.

Door gebruik te maken van de geomorfologische kenmerken van het hellende gebied, heeft Edouard-Joseph Joly het Bois Joly rond 1850-1860 heraangelegd als een groot wandelpark met “druïdische” elementen.  De aanleg van tuinen en parken, geïnspireerd op de achttiende-eeuwse landschapsstijl van de Engelse tuinen, kaderde in de tijdsgeest van het romantisme. In deze parken werden exotische en historische bouwwerken nagebouwd. Dergelijke bouwwerken werden follies genoemd (in het enkelvoud folly). De term folly werd later uitgebreid naar alle bouwwerken die men als bizar, nutteloos of onzinnig aanzag. Bekende Belgische follytuinen zijn de Rocher te Attre, het park bij het kasteel van Beloeil, het Bois Joly en het Top domein te Brakel. Veel van de in de negentiende eeuw opgerichte follies zijn op dit ogenblik reeds verdwenen.

Bij de aanleg van het park Bois Joly werden de bronhoofden vergraven en werd het water via geulen naar de centrale beek midden in het park afgevoerd. Het natuurlijke verval in het terrein werd benut door in het middendeel drie afgedamde vijvers aan te leggen. In en rond deze vijvers stonden rotspartijen en solitaire stenen. Het merendeel van de ornamenten, bestond uit lokaal gevonden zeer harde ijzerzandsteen of uit de zogenaamde “Poudingue de Renaix” (Ronsische conglomeraatsteen gevormd door rolkeien aaneengekit in ijzerzandsteen).

Tussen de bovenste en de middelste vijver werd met de uitgegraven aarde een kleine heuvel met een steencirkel aangelegd. In de negentiende eeuw werden hier ook concerten gegeven.

Naast een breder pad staat nog steeds de ‘Menhir’: een uit drie stukken bestaande zware solitaire zuil die een Keltische menhir nabootst. Op het hoogste punt van de tuin, nu het kerkhof, staat de ‘Dolmen’, een nagemaakt prehistorisch monument waarvan de stenen door Joly op de Muziekberg werden opgegraven en naar Bois Joly verplaatst. Deze “Dolmen” bestaat uit een rechtopstaande rotsblok waarop een horizontale steen ligt.

Eind negentiende eeuw werd het Bois Joly druk bezocht. Hiervan getuigen oude sfeervolle foto’s en prentbriefkaarten.

Naast zijn rol als pretpark had het Bois Joly ook een economische functie. Na het verval van de verouderde linnennijverheid rond 1840-1850, trad er in Ronse op het einde van de negentiende eeuw een grondig herstel op, door de overschakeling van linnen op katoen. Eerst artisanaal door thuiswevers, nadien in fabrieken. Tijdens deze periode van bloeiende textielindustrie tot de zestiger jaren van de twintigste eeuw werden de vijvers van Bois Joly als waterreservoir gebruikt en werd het water langs ijzeren buizen naar het centrum van Ronse geleid.

De tand des tijds

De follies van Joly zijn langzaam vervallen onder invloed van weer en wind. Tijdens de eerste wereldoorlog werd het hele bos gekapt en verdween Bois Joly als tuin. Doordat de dammetjes van de vijvers ondertussen ingestort zijn of lek geslagen, evolueren de bospoelen tot drassige plekken en zijn ze op een relatief snel tempo aan het verlanden. Van nature zijn er bovendien kwelzones waar het grondwater diffuus opsijpelt, die drassig blijven.

De natuur heeft haar kans gegrepen: stenen en dode boomstronken zijn begroeid met mossen en korstmossen. Bramen versperren de paden, brandnetels groeien waar de bodem te stikstofrijk is.

Een bos met opmerkelijk reliëf en waterhuishouding

Bois Joly ligt op een steile helling die over een afstand van 550 meter daalt van 105 tot 55 meter. Op de helling van Bois Joly vindt men een trapvormig reliëf, typisch voor de streek. Deze trapvorm is ontstaan doordat de bodemlagen, (afwisselend bestaande uit kleiig zand en uit zandige klei ) die zacht hellend aflopen van zuid naar noord, in de loop van de tijd geërodeerd en afgevlakt zijn. De zandlagen eroderen sneller en zijn steiler. De kleilagen zijn minder erosiegevoelig en zijn vlakker.

In tegengstelling tot de hoger gelegen toppen van de Vlaamse Ardennen, die bedekt zijn met erosiebestendige ijzerhoudende Diestiaanzandsteen, is er in Bois Joly, dat een heel stuk lager ligt, geen ijzerzandsteen meer aanwezig.

Doordat insijpelend regenwater sneller doordringt in doorlaatbare zandlagen en zich ophoopt boven meer ondoorlaatbare kleilagen, zoekt het water zich via talrijke bronnetjes een weg naar buiten waar de kleilagen in een helling aan de oppervlakte komen. In Bois Joly ligt zo een bronnenlijn op ongeveer 85 meter boven de zeespiegel. De bronbeekjes van Bois Joly stromen zuidwaarts de helling naar beneden en vormen de Norisbeek, die dan in het centrum van Ronse in de Molenbeek uitmondt. De Molenbeek stroomt in de Ronebeek die in Escanaffles in de Schelde stroomt.

Het dieren- en plantenleven

Heuveltoppen in de Vlaamse Ardennen die te steil, te nat of te onvruchtbaar zijn en voor landbouw ongeschikt, bleven bebost, zo ook het Bois Joly.

Door de typische geologische bodemgesteldheid kunnen zich verschillende natuurlijke vegetatietypes ontwikkelen. Op alluviale dalbodems hoort van nature een essen-elzenbos, op zware vochtige grond ontstaat een eikenbos en op neutrale of licht zure bodems een eiken-beukenbos.

In een goed ontwikkeld bos vindt men vier lagen of etages: de boom-, de struik- de kruid- en de bodemlaag.

Men vindt in het Bois Joly bijna alle inlandse boomsoorten. Dit is het gevolg van zijn vroegere parkfunctie, waar bij de aanleg gestreefd werd naar een grote verscheidenheid. Zo vindt men er de Tamme kastanje, de Zomereik, de Beuk, de Haagbeuk, de Ruwe berk, de Zwarte els, de Gewone esdoorn, de Es, de Zoete kers, de Ratelpopulier, de Grauwe abeel, de Paardekastanje en de Olm (die jammer genoeg zoals dit in gans Vlaanderen het geval is, aangetast wordt door de iepenspintkever). Er zijn geen naaldbomen. Een a-typische boomsoort die ook voorkomt is de Robinia (valse acacia), een van oorspong Amerikaanse soort die langs de toegangsdreef en aan de oostelijke boomrand werd aangeplant.

Bomen met lichte vruchten en zaden zoals de wilg en de berk verspreiden zich hoofdzakelijk met de wind. Aldus kunnen zij zich als pioniers op een natuurlijke manier vestigen. Dit gebeurt op dit moment op de zuidelijke aan het bos grenzende weide waar de boswilg snel veld wint. Andere boomsoorten zoals de Beuk, de Eik en de Tamme kastanje vormen vruchten en zaden of bessen die door bepaalde vogels en eekhoorns worden verspreid.

De struiklaag is goed ontwikkeld. Men vindt er de Hazelaar, de Eenstijlige meidoorn, de Vlier, de Gelderse roos, de Sleedoorn, de Vogelkers, de Mispel, de Wilde lijsterbes, de Rode kornoelje, de Hulst, de Braam, de Bosroos en de Hondsroos. Langs bomen en struiken slingeren her en der Klimop, Wilde kamperfoelie en Hop.

De kruidlaag is volledig natuurlijk en zeer soortenrijk door de aanwezigheid van de vruchtbare leembodem. Veel kruidensoorten in het bos bloeien in het vroege voorjaar vooraleer de struiken en bomen bladeren krijgen en er veel licht op de bodem valt. Ze leven daarna verder onder de vorm van knollen, bollen of wortelstokken. Maar ook in volle zomer, als het in het bos donker is, vinden we nog kruiden. Het gaat hier echter om andere soorten dan in het vroege voorjaar.

Vooral in het vroege voorjaar, eind april, staat het bos op zijn mooist als de blauw gekeurde Wilde hyacinthen bloeien (die in het lokale dialect “blauwe kousjes” genoemd worden). Iets vroeger in het jaar en op de vochtigere plaatsen bloeit de Bosanemoon. Andere opvallende voorjaarsbloeiers zijn de Kleine maagdenpalm, het Gevlekte longkruid, de Paarse schubwortel, de Gevlekte aronskelk, de Italiaanse aronskelk, de Veenbes, het Muskuskruid, de Gewone salomonszegel, de Roze winterpostelein, de Witte klaverzuring en het Heelkruid. Meer naar de zomer toe bloeien het Gele nagelkruid, het Kleefkruid, het Groot heksenkruid en de Dagkoekoeksbloem.

Langs bospaden vindt men de Waterpeper, de Ruwe smele, de Boszegge, de Boswederik en de Egelboterbloem.

In het bronbos (de kwelzones) treft men de Bittere veldkers, het Paarbladig goudveil en de Reuzenpaardenstaart aan.

Op vochtige plaatsen en op grasland staan de Pinksterbloem, de Slanke sleutelbloem, de Echte valeriaan, de Moerasspirea, het Harig wilgenroosje en het Kruipend zenegroen evenals de Bosbies, de Echte koekoeksbloem, de Scherpe zegge, de Kale jonker, de Beekpunge en de Pitrus.

Op drogere graslanden vindt men het Klein vogelpootje, de Liggende vleugeltjesbloem, de Struikhei, het Muizenoortje en de Mannetjesereprijs.

Het water in de beken is van uitstekende kwaliteit. Bij onderzoek van de bronwaterkwaliteit blijkt echter dat dit ondrinkbaar is, waarschijnlijk wegens intensieve bemesting op de langs het bos gelegen akkers maar het kan ook te wijten zijn aan het stikstofrijke afvloeiingswater van de bomen.

Op de bodemlaag van het bos ligt een strooisellaag van dode bladeren. Her en der vindt men mossen, levermossen en korstmossen en volop zwammen in de herfst, zoals de Parelamaniet, de Honingzwam, het Judasoor, de Platte tonderzwam, de Stinkzwam, de Berkenzwam, het Zwavelkopje, het Rode koolzwammetje, het Elfenbankje, de Vliegenzwam, de Stinkparasolzwam, de Groene anijstrechterzwam, de Nevelzwam, het Fopzwammetje, de Botercollybia, het Takruitertje, de Helmmycena, de Grote bloedsteelmycena, de Kaneelkleurige melkzwam, de Zwartpurperen russula, de Braakrussula, de Paarssteel schijnridder, de Pronkhertenzwam, de Kopergroenzwam, de Roodstelige fluweelboleet, de Gele knotszwam en de Grote oranje bekerzwam.

Volgende vogelsoorten werden waargenomen als broedvogels: de Koolmees, de Pimpelmees, de Matkop, de Glanskop, de Staartmees, de Zwarte mees, het Goudhaantje, de Boomklever, de Boomkruiper, de Grote en Kleine bonte specht, de Groene specht, de Zwartkop, de Grasmus, de Tuinfluiter, het Roodborstje, het Winterkoninkje, de Vink, de Merel, de Fluiter, de Zanglijster, de Houtduif, de Holenduif, de Turkse tortel, de Heggenmus, de Buizerd, de Sperwer, de Bosuil, de Steenuil, de Vlaamse gaai, de Zwarte kraai, de Kauw, het Waterhoen en de Wilde eend.

De Geelgors werd in de winter van 2004 waargenomen, maar is al jaren als broedvogel verdwenen, evenals grauwe gors. De Fluiter wordt ook al jaren niet meer waargenomen. De Vuurgoudhaan is één keer vastgesteld als broedvogel, nu niet meer. De Patrijs broedt sinds twee jaar in de omgeving. Sinds 1995 broedt de Sperwer er elk jaar en de Buizerd sinds 2001. De Torenvalk en de Boomvalk worden regelmatig gezien, maar zijn nog niet vastgesteld als broedvogel. In het bosperceel broedt minstens één koppel van de Bosuil. De Steenuil komt voor buiten het reservaat.

Aangezien er in het bos geen vijvers meer zijn, kunnen de amfibieën er zich in het bos niet meer voortplanten. Eén van de beheersmaatregelen om het amfibiëenbestand op natuurlijke wijze te doen vermeerderen, is het uitgraven een weidepoel. Zo wil men aan de zeldzame Vuursalamander de mogelijkheid bieden om zich voort te planten. De volwassen Vuursalamander kan niet zwemmen, maar de larve is op water aangewezen. Bij de voorplanting kruipen de wijfjes op een overhangende tak en laten hun levende jongen (en geen eieren) in het water vallen.

Andere amfibieën die zich in enkele vijvers ten zuiden van het bos voortplanten, maar het bos gebruiken als overzomeringsgebied zijn: de Bruine kikker, Groene kikker, de Gewone pad, de Alpenwatersalamander en de Vinpootsalamander.

De Hazelworm, het enige reptiel dat in de streek voorkomt (Muziekbos, Stedelijk Wandelpad,…), werd tot nu toe nog niet waargenomen in het Bois Joly.


Er vond tot op heden nog geen volledige zoogdiereninventarisatie plaats. Sinds de jaren tachtig komt de vos weer voor in de streek (jaarlijks vindt men één of twee holen in het bos). Sinds de jaren negentig ziet men ook weer eekhoorns. In 2003 werd voor de eerste maal een dode mannelijke steenmarter gevonden langsheen de Hogerluchtstraat ter hoogte van het kerkhof. Een muizen- en vleermuizen inventarisatie moet nog plaatsvinden.

Beheer van het reservaat

In het grootste deel van het bosperceel wordt een nietsdoenbeheer uitgevoerd. Belangrijk is de opmerkelijke stijging van het dood hout in het bos. De pioniersoort Ruwe berk, de Tamme kastanje, de Zomereik en de Olm zijn de boomsoorten waarin de aftakeling duidelijk begonnen is. Ongeveer de helft van de berken zijn afgestorven, waarbij het grootste deel omgevallen is. Ook de grote hakhoutstoven van tamme kastanje zijn over hun hoogtepunt heen en enkele zijn al omgewaaid.

Ook van andere boomsoorten zijn er individuen die afsterven, maar in een beperkt aantal. Europese vogelkers verjongt opvallend wat als zeer positief wordt beschouwd.

Eerder negatief is de verjonging van Gewone esdoorn. De bosflora evolueert goed, Paarbladig goudveil breidt sterk uit, ook Eénbes neemt toe, niet alleen in aantal maar ook in vindplaatsen.

In het zuidelijkste puntje van het Bois Joly wordt hakhoutbeheer uitgevoerd, waarbij het perceel in twee delen is gesplitst. Het eerste deel werd in de winter 1999-2000 voor het eerst gekapt, waarbij alle takhout is afgevoerd. Het andere deel wordt binnenkort aangepakt.

Het grasland in het noordwesten van het gebied, dat aanvankellijk in gewoon landbouwbeheer was met bemesting en intensieve begrazing, wordt sinds begin 2001 als hooiland beheerd. Via een maaibeheer (2x per jaar) wordt geprobeerd de nodige verschraling te realiseren. Momenteel zijn de resultaten nog niet voldoende om over te schakelen op een minder intensief begrazingsbeheer.

In 2001 werd het begrazingsbeheer  ingevoerd op de twee zuidelijk gelegen graslandpercelen en één voormalig akkerlandperceel, waarbij 3 runderen worden ingezet op een oppervlakte van ongeveer 2 ha. De evolutie in de oorspronkelijke graslandpercelen verloopt langzaam en bevindt zich momenteel in de fase van akkerdistel. De begrazing kan het distelprobleem niet tegenhouden en er moet nog steeds mechanisch ingegrepen worden. De kruidensamenstelling verandert nog niet echt, vermoedelijk is de voedselrijkdom van de bodem nog te hoog.

In het deel dat afkomstig is van grasland verandert de soortensamenstelling maar zeer langzaam. Vanuit het akkerland is de evolutie echter zeer positief te beschouwen. Ook de openheid in de vegetatie wordt als zeer positief beschouwd: hierdoor verwachten we dat de soortensamenstelling nog zal uitbreiden.

Het begraasd deel van de vroegere akker daarentegen evolueert al zeer goed . De soortenrijkdom is hier hoger dan op het er naast liggend perceel dat uit grasland komt. Opvallend is de sterke uitbreiding van Margriet. Andere soorten die op dit perceel  reeds voorkomen zijn: Scherpe boterbloem, Ringelwikke, Kleine klaver, Paardebloem, Biggekruid, Slipbladige ooievaarsbek en Kamgras. Langs de bosrand kiemen soorten zoals Zomereik, Zwarte els en Boswilg.

Op een historisch akkerperceel wordt het akkerbeheer verdergezet. In samenwerking met een landbouwer worden graangewassen gezaaid. Er blijft een strook liggen die niet geploegd wordt, dit in functie van tweejarige akkeronkruiden, die kunnen dienen als voedselbron voor zaadetende vogels en kleine zoogdieren. Een inventarisatie in 2003 leverde volgende soorten akkeronkruiden op: Duist, Rood guichelheil, Grote windhalm, Uitstaande melde, Oot, Korenbloem, Melganzevoet, Gele ganzebloem, Behaarde boterbloem, Liggende vetmuur, Klein kruiskruid, Akkermelkdistel, Gewone melkdistel, Gekroesde melkdistel, Bolderik, Slipbladige ooievaarsbek, Echte kamille, Akkervergeet-mij-nietje en Grote klaproos